Maranatha

Orde voor de eredienst van

23 augustus 2026, 09:30 uur

 

Voorganger: ds. J. de Wit, Nunspeet

Organist: .

 

Mededelingen van de kerkenraad

 

Voorzang: Psalm 138: 1, 2

‘k Zal met mijn ganse hart Uw eer

vermelden, HEER, U dank bewijzen.

‘k Zal U in ’t midden van de goôn

op hogen toon met psalmen prijzen.

Ik zal mij buigen op Uw eis

naar Uw paleis, het hof der hoven,

en om Uw gunst en waarheid saam,

Uw groten Naam eerbiedig loven.

 

Door al Uw deugden aangespoord

hebt Gij Uw woord en trouw verheven.

Gij hebt mijn ziel op haar gebed

verhoord, gered, haar kracht gegeven.

Al ’s aardrijks vorsten zullen, HEER,

Uw lof en eer alom doen horen,

wanneer de rede van Uw mond

op ’t wereldrond hun klinkt in d’ oren.

 

Gelegenheid voor stil gebed

 

Votum en groet

 

Psalm 138: 3, 4

Dan zingen zij, in God verblijd,

aan Hem gewijd van ’s HEEREN wegen;

want groot is ’s HEEREN heerlijkheid,

Zijn Majesteit ten top gestegen.

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

op hen het oog die needrig knielen;

maar ziet van ver met gramschap aan

den ijdlen waan der trotse zielen.

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

bezwijken moet, schenkt Gij mij leven.

Is ’t, dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand zal redding geven.

De HEER is zo getrouw als sterk,

Hij zal Zijn werk voor mij volenden.

Verlaat niet wat Uw hand begon,

o Levensbron, wil bijstand zenden.

 

Wetslezing

 

OTH 40

Welzalig de man, die niet wandelt

in de raad der goddelozen.

Die niet staat op de weg der zondaars,

noch zit in de kring der spotters,

maar aan des Heren wet

zijn welgevallen heeft.

En diens wet overpeinst

bij dag en bij nacht.

Want hij is als een boom

geplant aan waterstromen.

Die zijn vrucht geeft op tijd,

welks loof niet verwelkt, alles gelukt.

 

Gebed

 

Kindermoment

 

OTH 456

Refrein:

Wees niet bang, wees niet bang,

Ik roep je bij je naam.

Wees niet bang, wees niet bang,

van nu af gaan we samen.

 

En al zou je door het vuur gaan,

je brandt je daar niet aan;

Ik ben bij je, Ik ben bij je,

om mee te gaan.

Ik ben bij je, Ik ben bij je.

Refrein

 

En als ga je door rivieren,

ze spoelen jou niet weg;

Ik ben bij je, Ik ben bij je,

heel de weg,

Ik ben bij je, Ik ben bij je.

Refrein

 

En als anderen je plagen,

misschien de hele klas;

Ik ben bij je, Ik ben bij je,

Ik hou je vast,

Ik ben bij je, Ik ben bij je.

 

Om mee te gaan.

Ik ben bij je, Ik ben bij je.

Voortaan!!!

 

Bijbellezing: Daniël 3: 1-8; 14-18; 23-30

1 Koning Nebukadnezar maakte een gouden beeld, waarvan de hoogte zestig el was, en zijn breedte zes el. Hij richtte het op in het dal Dura, in het gewest Babel.

2 En koning Nebukadnezar stuurde een boodschap om de stadhouders, de machthebbers, de landvoogden, de raadsheren, de schatbewaarders, de rechters, de magistraten en al de autoriteiten van de gewesten te verzamelen, om naar de inwijding van het beeld te komen dat koning Nebukadnezar had opgericht.

3 Toen kwamen de stadhouders, de machthebbers, de landvoogden, de raadsheren, de schatbewaarders, de rechters, de magistraten en al de autoriteiten van de gewesten bijeen voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had laten oprichten. En zij stonden voor het beeld dat Nebukadnezar had opgericht.

4 En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, volken, natiën en talen:

5 Op het moment dat u het geluid hoort van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, panfluit, en allerlei muziekinstrumenten, moet u neervallen en het gouden beeld aanbidden dat koning Nebukadnezar heeft opgericht.

6 Wie niet neervalt en aanbidt, zal op hetzelfde ogenblik midden in de brandende vuuroven worden geworpen.

7 Daarom, zodra al de volken het geluid hoorden van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, en allerlei muziekinstrumenten, vielen op datzelfde tijdstip alle volken, natiën en talen neer, en aanbaden het gouden beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.

8 Daarom kwamen op datzelfde tijdstip Chaldeeuwse mannen naar voren, die de Joden openlijk beschuldigden.

 

14 Nebukadnezar antwoordde en zei tegen hen: Is het waar, Sadrach, Mesach en Abed-Nego, dat u mijn goden niet vereert en het gouden beeld dat ik heb opgericht, niet aanbidt?

  1. Nu dan, als u bereid bent op het moment dat u het geluid van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, panfluit, en allerlei muziekinstrumenten hoort, neer te vallen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb, dan is het goed, maar als u het niet aanbidt, dan zult u op hetzelfde ogenblik midden in de brandende vuuroven worden geworpen. En wie is dan de god die u uit mijn handen kan verlossen?

16 Sadrach, Mesach en Abed-Nego antwoordden en zeiden tegen koning Nebukadnezar: Wij hoeven u hierop geen antwoord te geven.

17 Als het moet, kan onze God, Die wij vereren, ons verlossen uit de brandende vuuroven, en Hij zal ons, o koning, uit uw hand verlossen.

18 En zo niet, het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht, niet zullen aanbidden.

 

23 Maar toen deze drie mannen – Sadrach, Mesach en Abed-Nego – gebonden midden in de brandende vuuroven gevallen waren,

24 sloeg koning Nebukadnezar de schrik om het hart. Haastig stond hij op, nam het woord en zei tegen zijn raadslieden: Hebben wij niet drie mannen gebonden midden in het vuur geworpen? Zij antwoordden en zeiden tegen de koning: Jazeker, o koning!

25 Hij antwoordde en zei: Zie, ik zie vier mannen midden in het vuur vrij rondlopen! Zij hebben geen letsel en de aanblik van de vierde lijkt op die van een zoon van de goden.

26 Toen kwam Nebukadnezar in de nabijheid van de deur van de brandende vuuroven. Hij nam het woord en zei: Sadrach, Mesach en Abed-Nego, dienaren van de allerhoogste God, ga naar buiten en kom hier! Daarop gingen Sadrach, Mesach en Abed-Nego uit het midden van het vuur.

27 Toen kwamen de stadhouders, de machthebbers, de landvoogden en de raadslieden van de koning bijeen. Zij zagen aan deze mannen dat het vuur geen vat had gekregen op hun lichaam: het haar van hun hoofd was niet geschroeid, en hun mantels waren niet verteerd, ja, er hing zelfs geen brandlucht aan hen.

28 Nebukadnezar nam het woord en zei: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego, Die Zijn engel heeft gezonden en Zijn dienaren heeft verlost, die op Hem hebben vertrouwd, het bevel van de koning hebben weerstaan en hun lichaam hebben overgegeven, omdat zij geen enkele god wilden vereren of aanbidden dan hún God.

29 Daarom wordt door mij een bevel uitgevaardigd dat elk volk, elke natie of taal die lasterlijke dingen zegt over de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego, in stukken zal worden gehouwen en dat zijn huis tot een mesthoop zal worden gemaakt, want er is geen andere god die zo redden kan.

30 Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-Nego voorspoedig in het gewest Babel.

 

Collectemoment

 

Psalm 34: 1, 4, 5

Ik loof den HEER, mijn God,

mijn zang klimm’ op naar ’t hemelhof,

mijn mond zing’ eeuwig tot Zijn lof

om mijn gelukkig lot.

Mijn ziel, loof d’ Opperheer!

’t Zachtmoedig volk zal ’t straks verstaan,

door vreugd met u zijn aangedaan

en juichen tot Zijn eer.

 

Des HEEREN engel schaart

een onverwinbre hemelwacht

rondom hem, die Gods wil betracht:

dus is hij wél bewaard.

Komt, smaakt nu en beschouwt

de goedheid van d’ Alzegenaar.

Welzalig hij die in gevaar

alleen op Hem betrouwt.

 

Vreest, vreest Hem t’ allen tijd’,

gij, heiligen, daar g’ ondervindt

dat hij die God vreest en bemint,

gebrek noch schade lijdt.

In honger komt noch moed

noch kracht den jongen leeuw te baat,

maar die den HEER zoekt vroeg en laat,

mist nimmer ’t nodig goed.

 

Prediking n.a.v. Daniël 3: 18

 

Gezang 101: 1, 2, 4

Houdt Christus zijne Kerk in stand,
zo mag de hel vrij woeden.
Gezeten aan Gods rechterhand,
kan Hij haar wel behoeden.
Hij is in alle leed
tot hare hulp gereed.
Hij staaft zijn roem alom,
en waakt voor ’t Christendom:
dies mag de hel vrij woeden.

 

Wel zijn daar heersers op de troon,
die zich met trots verzetten,
versmadend Gods gezalfde Zoon,
niet luist’rend naar zijn wetten.
Zij schamen zich de leer
van Jezus, onze Heer,
zelfs wordt zijn kruis veracht!
’t Is God die hen belacht,
hoe trots zij zich verzetten.

 

Gij, Christen, die op Hem vertrouwt,
gij moet geen dreigen vrezen!
Die God, die van de hemel schouwt,
zal ons een toevlucht wezen.
Der legerscharen Heer
waakt voor zijn woord en eer,
geeft ons geduld in nood,
en sterkt ons in de dood.
Wie zou dan dreigen vrezen?

 

Dankgebed en voorbeden

 

Gezang 186: 1, 5

Wat God doet, dat is welgedaan,
zijn wil is wijs en heilig.
‘k zal aan zijn hand vertrouwend gaan,
die hand geleid mij veilig.
In nood is mij,
zijn trouw nabij.
Ja Hij, de Heer der heren,
blijft eeuwig wijs regeren.

 

Wat God doet, dat is welgedaan,
zijn trouw blijft mij ten hoede.
Zijn liefde doet geen kwaad ontstaan,
’t werkt alles mee ten goede.
Als God mij leidt,
zal ‘k wel bereid
mijn hoogst en reinst verlangen
in d’ eeuwigheid ontvangen.

 

Zegen

 

* * *