Liturgie zondag 6 september 2026 avonddienst
Welkom
- Psalm 29: 1, 6
Stil gebed.Votum en groet
- Psalm 82: 1, 2, 4
Geloofsbelijdenis
- Op Toonhoogte 114
Gebed
Schriftlezing: Genesis 14
Collecte
- Psalm 72: 1, 2
Preek
- Psalm 72: 7, 10
Gebed
- Gezang 130
Zegen
Uitwerking
Welkom
- Psalm 29: 1, 6
Aardse machten, looft den HEER;
Geeft den HEERE sterkt’ en eer;
Dat de lof van ’s Hoogsten naam
Aller groten roem beschaam’.
Vorsten, ’t voegt u, Hem, in’t midden
Van Zijn heiligdom, t’ aanbidden:
’t Voegt u, met de Godgetrouwen,
’s HEEREN heerlijkheid t’ ontvouwen.
Looft den HEER, die wond’ren werkt;
Israël, Zijn volk, versterkt;
Hem, die Jacobs heilig kroost
Zeeg’nen zal met vreed’ en troost.
Stil gebed.Votum en groet
- Psalm 82: 1, 2, 4
In d’ achtb’re Godsvergaderingen
Staat God, als Richter der gedingen;
Hij oordeelt over goed en kwaad,
In ’t midden van der goden raad:
“Hoe lang zult gij van ’t richtsnoer wijken,
Een onrechtvaardig vonnis strijken,
En acht slaan op het aangezicht
Der goddelozen in ’t gericht?”
Toont aller goden God te vrezen;
Doet recht aan armen en aan wezen;
Rechtvaardigt hem, die billijk klaagt,
Verdrukt of arm uw hulpe vraagt;
Verlost geringen uit hun lijden,
En wilt behoeftigen bevrijden;
Rukt z’ uit der goddelozen hand;
Gerechtigheid verhoogt een land.
Gij zult nochtans het leven derven,
En als gemene mensen sterven;
Eens storten van den stoel der eer
In ’t graf, als elk der vorsten, neer.
Sta op, o God, en wil ontwaken;
Ai, oordeel ’t aardrijk, richt de zaken;
Want Gij bezit op aard’ alom
De volkeren in eigendom.
Geloofsbelijdenis
- Op Toonhoogte 114
Geest van hierboven,
leer ons geloven,
hopen, liefhebben door uw kracht!
Hemelse vrede,
deel U nu mede
aan een wereld die U verwacht!
Wij mogen zingen
van grote dingen
als wij ontvangen
al ons verlangen,
met Christus opgestaan, Halleluja!
Eeuwigheidsleven
zal Hij ons geven
als wij herboren
Hem toebehoren
die ons is voorgegaan, Halleluja!
Wat kan ons schaden,
wat van U scheiden,
Liefde die ons hebt liefgehad?
Niets is ten kwade
wat wij ook lijden,
Gij houdt ons bij de hand gevat.
Gij hebt de zege
voor ons verkregen,
Gij zult op aarde
de macht aanvaarden
en onze koning zijn. Halleluja!
Gij, onze Here,
doet triomferen
die naar U heten
en in U weten
dat wij Gods zonen zijn. Halleluja!
Gebed
Schriftlezing: Genesis 14
1 In de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, Arioch, de koning van Ellasar, Kedor-Laomer, de koning van Elam, en Tideal, de koning van de volken, gebeurde het
2 dat ze oorlog voerden tegen Bera, de koning van Sodom, tegen Birsa, de koning van Gomorra, tegen Sinab, de koning van Adama, tegen Semeber, de koning van Zeboïm en tegen de koning van Bela, het tegenwoordige Zoar.
3 Deze allen waren een verbintenis aangegaan en trokken op naar het Siddimdal, dat is tegenwoordig de Zoutzee.
4 Twaalf jaar hadden zij Kedor-Laomer gediend, maar in het dertiende jaar kwamen zij in opstand.
5 Daarom kwam Kedor-Laomer in het veertiende jaar met de koningen die bij hem waren; en zij versloegen de Refaïeten in Asteroth-Karnaïm, de Zuzieten in Ham, de Emieten in Sjave-Kiriathaïm,
6 en de Horieten in hun bergland Seïr tot aan El-Paran, dat aan de woestijn grenst.
7 Daarna keerden zij terug en kwamen in En-Mispat – het tegenwoordige Kades – en zij versloegen allen in heel het gebied van de Amalekieten, en ook de Amorieten die in Hazezon-Thamar woonden.
8 Toen trok de koning van Sodom ten strijde met de koning van Gomorra, de koning van Adama, de koning van Zeboïm en de koning van Bela – het tegenwoordige Zoar – en zij stelden zich op voor de strijd tegen hen in het Siddimdal,
9 tegen Kedor-Laomer, de koning van Elam, Tideal, de koning van de volken, Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.
10 Het Siddimdal nu was vol asfaltputten; de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten en vielen daarin, en de overgeblevenen vluchtten naar het bergland.
11 Zij namen al de bezittingen van Sodom en Gomorra en al hun voedsel mee en trokken weg.
12 Ook namen zij Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen mee, en trokken weg; hij woonde namelijk in Sodom.
13 Toen kwam er iemand die ontkomen was, en vertelde het aan Abram, de Hebreeër; die woonde bij de eiken van de Amoriet Mamre, de broer van Eskol en Aner. Zij waren bondgenoten van Abram.
14 Toen Abram hoorde dat zijn broeder als gevangene weggevoerd was, bewapende hij zijn geoefende mannen die in zijn huis geboren waren, driehonderdachttien man, en hij achtervolgde hen tot aan Dan.
15 Hij verdeelde zich ’s nachts tegen hen in groepen, hij en zijn manschappen, en versloeg hen; en hij achtervolgde hen tot aan Hoba, dat links van Damascus ligt.
16 En hij bracht alle bezittingen terug, en ook zijn broeder Lot en zijn bezittingen bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk.
17 Toen trok de koning van Sodom hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedor-Laomer en de koningen die bij hem waren, naar het dal Sjave, dat is het tegenwoordige Koningsdal.
18 En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19 En hij zegende hem en zei: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!
20 En geloofd zij God, de Allerhoogste, Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand! En Abram gaf hem van alles een tiende deel.
21 De koning van Sodom zei tegen Abram: Geef mij de mensen, maar houd de bezittingen voor uzelf.
22 Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: Ik zweer bij de HEERE,
God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit,
23 dat ik niets, van draad tot schoenriem toe, ja, niets van alles wat van u is, zal nemen, zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.
24 Verre daarvan! Alleen wat de knechten gegeten hebben, en het deel van de mannen die met mij meegegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre; laten die hun deel nemen!
Collecte
- Psalm 72: 1, 2
Geef, Heer’, den Koning Uwe rechten,
En Uw gerechtigheid
Aan ’s Konings zoon om Uwe knechten,
Te richten met beleid.
Dan zal Hij al Uw volk beheren,
Rechtvaardig, wijs en zacht;
En Uw ellendigen regeren;
Hun recht doen op hun klacht.
De bergen zullen vrede dragen,
De heuvels heilig recht;
Hij zal hun vrolijk op doen dagen,
Het heil, hun toegezegd.
’t Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door Zijnen arm gerukt
Hij zal nooddruftigen bevrijden;
Verbrijzlen, wie verdrukt.
Preek
- Psalm 72: 7, 10
Nooddruftigen zal Hij verschonen;
Aan armen, uit gena
Zijn hulpe ter verlossing tonen;
Hij slaat hun zielen ga.
Als hen geweld en list bestrijden,
Al gaat het nog zo hoog;
Hun bloed, hun tranen en hun lijden
Zijn dierbaar in Zijn oog.
Dan zal na zoveel gunstbewijzen,
’t Gezegend heidendom,
’t Geluk van dezen Koning prijzen,
Die Davids troon beklom.
Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,
Bekleed met mogendheen;
De Heer’, in Israel geprezen,
Doet wondren, Hij alleen.
Gebed
- Gezang 130
God is getrouw, zijn plannen falen niet,
Hij kiest de zijnen uit, Hij roept die allen.
Die ’t heden kent, de toekomst overziet,
laat van zijn woorden geen ter aarde vallen;
en ’t werk der eeuwen, dat zijn Geest omspant,
volvoert zijn hand.
De Heer regeert! Zijn Koninkrijk staat vast,
zijn heerschappij omvat de loop der tijden;
een sterke hand, die nooit heeft misgetast,
blijft met het heilig zwaard des Geestes strijden;
en d’ adem zijner lippen overmant
de tegenstand.
De Heil’ge Geest, die haar de toekomst spelt,
doet aan Gods Kerk zijn heilgeheimen weten;
Hij, die haar leidt en in de waarheid stelt
heeft zijn bestek met wijsheid uitgemeten;
Hij trekt met heel zijn Kerk van land tot land
als Gods gezant.
Zegen
