Liturgie zondag 28 juni 2026 morgendienst

 

Welkom

 

  • Op Toonhoogte 178

 

Wees stil voor het aangezicht van God,

want heilig is de Heer.

Aanbid Hem met eerbied en ontzag

en kniel nu voor Hem neer;

die zelf geen zonde kent

en ons genade schenkt.

Wees stil voor het aangezicht van God,

want heilig is de Heer.

 

Wees stil, want de heerlijkheid van God

omgeeft ons in dit uur.

Wij staan nu op heilige grond,

waar Hij verschijnt met vuur;

een eeuwigdurend licht

straalt van zijn aangezicht.

Wees stil, want de heerlijkheid van God

omgeeft ons in dit uur.

 

Wees stil, want de kracht van onze God

daalt neer op dit moment.

De kracht van de God die vergeeft

en ons genezing brengt;

niets is onmogelijk

voor wie gelooft in Hem.

Wees stil, want de kracht van onze God

daalt neer op dit moment.

 

Stil gebed.Votum en groet

 

Gedenken van Jantje van de Poll – van ’t Hof

 

  • Gezang 184: 1, 2

 

De Heer is mijn herder!

‘k Heb al wat mij lust;

Hij zal mij geleiden

naar grazige weiden.

Hij voert mij al zachtkens

aan waat’ren der rust.

 

De Heer is mijn Herder!

Hij waakt voor mijn ziel,

Hij brengt mij op wegen

van goedheid en zegen,

Hij schraagt m’, als ik wankel,

Hij draagt m’, als ik viel.

 

Verootmoediging

 

  • Op Toonhoogte 282

 

O, Heer mijn God, wanneer ik in verwondering

de wereld zie die U hebt voortgebracht.

Het sterrenlicht, het rollen van de donder,

heel dit heelal, dat vol is van uw kracht.

 

Refrein: Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God

hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij.

Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God

hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij.

 

Als ik bedenk, hoe Jezus zonder klagen

tot in de dood gegaan is als een Lam,

sta ik verbaasd, dat Hij mijn schuld wou dragen

en aan het kruis mijn zonde op zich nam.

 

Refrein: Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God

hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij.

Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God

hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij.

 

Als Christus komt met majesteit en luister,

brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn.

Dan zal ik vol aanbidding voor Hem buigen

en zingt mijn ziel: o Heer, hoe groot zijt Gij!

 

Refrein: Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God

hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij.

Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God

hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij.

 

Gebed

 

Kindermoment

 

  • Op Toonhoogte 148

 

God wijst mij een weg

als ik zelf geen uitkomst zie.

Langs wegen die geen mens bedenkt,

maakt Hij mij zijn wil bekend.

Hij geeft elke dag

nieuwe liefde, nieuwe kracht.

Als ik mijn hand in zijn hand leg,

wijst Hij mij de weg,

wijst Hij mij de weg.

 

Al moet ik door de wildernis –

Hij leidt mij.

Hij toont mij een rivier in de woestijn.

Alles zal ooit vergaan

maar zijn liefde blijft bestaan

en Hij maakt iets heel nieuws vandaag.

 

God wijst mij een weg

als ik zelf geen uitkomst zie.

Langs wegen die geen mens bedenkt,

maakt Hij mij zijn wil bekend.

Hij geeft elke dag

nieuwe liefde, nieuwe kracht.

Als ik mijn hand in zijn hand leg,

wijst Hij mij de weg,

wijst Hij mij de weg.

 

 

Schriftlezing: Exodus 32: 1-14, 33:12-17 en Numeri 12

Exodus 32:1-14

1Toen het volk zag dat het lang duurde voor Mozes van de berg afdaalde, kwam het volk bijeen bij Aäron, en zij zeiden tegen hem: Sta op, maak voor ons goden die vóór ons uit gaan, want die Mozes, de man die ons uit het land Egypte geleid heeft – wij weten niet wat er met hem gebeurd is.

2En Aäron zei tegen hen: Ruk de gouden ringen die uw vrouwen, uw zonen en uw dochters in hun oren hebben, af, en breng ze bij mij.

3Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron.

4Hij nam ze van hen aan, hij bewerkte ze met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.

5Toen Aäron dat zag, bouwde hij er een altaar voor, en Aäron kondigde aan: Morgen is er een feest voor de HEERE!

6Zij stonden de volgende dag vroeg op, brachten brandoffers en brachten ook dankoffers. Het volk ging daarna zitten om te eten en te drinken; vervolgens stonden zij op om uitbundig feest te vieren.

7Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga, daal af, want uw volk, dat u uit het land Egypte hebt geleid, heeft verderfelijk gehandeld.

8Zij zijn al snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten kalf gemaakt, zij buigen zich ervoor neer, offeren eraan en zeggen: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.

9Ook zei de HEERE tegen Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een halsstarrig volk.

10Nu dan, laat Mij begaan, zodat Mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen vernietig. Dan zal Ik ú tot een groot volk maken.

11Maar Mozes trachtte het aangezicht van de HEERE, zijn God, gunstig te stemmen, en zei: HEERE, waarom zou Uw toorn ontbranden tegen Uw volk, dat U met grote kracht en sterke hand uit het land Egypte geleid hebt?

12Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: Met kwade bedoelingen heeft Hij hen uitgeleid, om hen in de bergen te doden en hen van de aardbodem te vernietigen? Laat Uw brandende toorn varen, en heb berouw over het kwaad voor Uw volk.

13Denk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf hebt gezworen en tot hen gesproken hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en dit hele land waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nageslacht geven, zodat zij het voor eeuwig in erfbezit nemen.

14Toen kreeg de HEERE berouw over het kwaad dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen aandoen.

 

Exodus 33:12-17

12Toen zei Mozes tegen de HEERE: Zie, U zegt tegen mij: Laat dit volk verdertrekken. U echter, U hebt mij niet laten weten wie U met mij meezendt, terwijl U Zelf gezegd hebt: Ik ken u bij uw naam, en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen.

13Nu dan, als ik dan genade heb gevonden in Uw ogen, maak mij toch Uw weg bekend. Dan zal ik U kennen, opdat ik genade zal vinden in Uw ogen. En zie aan dat deze natie Uw volk is.

14En Hij zei: Moet Mijn aangezicht meegaan om u gerust te stellen?

15Toen zei hij tegen Hem: Als Uw aangezicht niet meegaat, laat ons dan van hier niet verdertrekken.

16Want hoe moet het anders bekend worden dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daardoor dat U met ons meegaat? Daardoor zullen wij, ik en Uw volk, afgezonderd zijn van alle volken die er op de aardbodem zijn.

17Toen zei de HEERE tegen Mozes: Ook dit woord dat u spreekt, zal Ik doen, want u hebt genade gevonden in Mijn ogen en Ik ken u bij uw naam.

Numeri 12

1Mirjam, en ook Aäron, spraken over Mozes vanwege de Cusjitische vrouw die hij genomen had, want hij had een Cusjitische vrouw genomen.

2Zij zeiden: Heeft de HEERE alleen maar door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het.

3Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren.

4Meteen zei de HEERE tegen Mozes, en tegen Aäron, en tegen Mirjam: U met zijn drieën, vertrek naar de tent van ontmoeting. En zij vertrokken met z’n drieën daarnaartoe.

5Toen daalde de HEERE neer in de wolkkolom en ging bij de ingang van de tent staan. Hij riep Aäron en Mirjam, en zij kwamen beiden naar voren.

6Hij zei:

Luister toch naar Mijn woorden!

Als iemand onder u een profeet is,

maak Ik, de HEERE, Mij door een visioen aan hem bekend,

spreek Ik met hem door een droom.

7Maar zo doe Ik niet tegenover Mijn dienaar Mozes,

die in Mijn hele huis trouw is,

8met hem spreek Ik van mond tot mond, ja, zichtbaar, en niet in raadsels.

Hij aanschouwt de gestalte van de HEERE.

Waarom dan bent u niet bevreesd geweest

om over Mijn dienaar, over Mozes, te spreken?

9Zo ontbrandde de toorn van de HEERE tegen hen, en Hij ging weg.

10De wolk week van boven de tent, en zie, Mirjam was melaats, wit als sneeuw. Toen keerde Aäron zich om naar Mirjam, en zie, zij was melaats.

11Daarom zei Aäron tegen Mozes: Met uw toestemming, mijn heer, leg toch niet op ons de zonde waarmee wij dwaas gehandeld hebben en die wij begaan hebben.

12Laat zij toch niet zijn als een doodgeborene, van wie, als hij uit het lichaam van zijn moeder komt, de helft van zijn lichaam al verteerd is!

13Toen riep Mozes tot de HEERE: O God, genees haar toch!

14De HEERE zei tegen Mozes: Stel dat haar vader haar verachtelijk in haar gezicht had gespuwd, zou zij niet zeven dagen te schande worden? Laat haar zeven dagen buiten het kamp gesloten worden, en daarna weer opgenomen worden.

15Zo werd Mirjam zeven dagen buiten het kamp gesloten. Het volk brak niet op, totdat Mirjam weer in hun midden opgenomen was.

16Maar daarna brak het volk op van Hazeroth, en zij sloegen hun kamp op in de woestijn Paran.

 

Collecte

  • Psalm 37: 2, 3, 4

 

Stel op den Heer’ in alles uw betrouwen;

Betracht uw plicht, bewoon het aardrijk; leer

Uw welvaart op Gods trouw volstandig bouwen.

Verlustig u met blijdschap in den Heer’,

Dan zal Hij u in liefd’ en gunst aanschouwen,

U schenken, wat uw hart van Hem begeer’.

 

Geen ijdle zorg doe u van ’t heilspoor dwalen;

Houd in uw weg het oog op God gericht,

Vertrouw op Hem, en d’ uitkomst zal niet falen:

Hij zal welhaast uw recht, voor elks gezicht,

Doen dagen als de morgenzonnestralen,

En blinken als het helder middaglicht.

 

Zwijg Gode, wacht op ’t eind van ’s Heeren wegen,

Wanneer gij hier der snoden voorspoed ziet;

En, hebben zij door list hun wens verkregen,

’t Ontsteek’ uw drift, noch baar’ u zielsverdriet;

Misgun hun dan geen ingebeelden zegen,

Laat af van toorn, en zoek de wrake niet.


Preek

 

  • Psalm 99: 2, 5, 7

 

God, die helpt in nood,

Is in Sion groot;

Aller volken macht

Niets bij Hem geacht;

Buigt u dan in ’t stof,

En verheft met lof

’t Heilig Opperwezen;

Wilt het eeuwig vrezen.

 

Ook was Samuël,

Op Gods hoog bevel,

Biddend voor Zijn volk,

Als een hemeltolk;

Hij en and’ren meer

Riepen tot den HEER,

Die met gunstig’ oren

Hun geroep wou horen.

 

Gij, met hen begaan,

Hebt hun wens voldaan;

HEER, die naar Uw woord,

Hun gebed verhoort,

Gij, Gij waart hun lot,

Hun vergevend God;

Schoon z’ ook om hun zonden,

Straffen ondervonden.

 

Afscheid oudste groep zondagsschool

  • Op Toonhoogte 395

 

De Here zegent jou

en Hij beschermt jou,

Hij schijnt Zijn licht over jouw leven.

Hij zal genadig zijn

en heel dicht bij je zijn,

Hij zal Zijn vrede aan je geven.

 

De Here zegent u

en Hij beschermt u,

Hij schijnt Zijn licht over uw leven.

Hij zal genadig zijn

en heel dicht bij u zijn,

Hij zal Zijn vrede aan u geven.

 

Gebed

 

  • Op Toonhoogte 5: 7, 8

 

Heil hem, die hoopt in vrees en beven

op Gods genadig aangezicht.

Wie op zijn gunst vertrouwt zal leven,

God houdt het oog op hem gericht.

Ja, Hij kent de zijnen, / Hij laat niet verkwijnen

wie zijn hulp verbeidt.

Koninklijk van gaven / wil de Heere laven

wie ontbering lijdt.

 

Wij wachten stil op Gods ontferming,

ons hart heeft zich in Hem verheugd.

Hij komt te hulp en geeft bescherming,

zijn heilge naam is onze vreugd.

Laat te allen tijde / uwe liefd’ ons leiden,

uw barmhartigheid.

God, op wien wij wachten, / geef ons moed en krachten

nu en voor altijd.

 

Zegen